Elektrische aansluiting
- Sluit de ventilator aan overeenkomstig bijgevoegd schema, de EN 60204 en de plaatselijk geldende voorschriften.
- De voedingskabel kan via een wartel in de voet van binnenuit of over het dak toegevoerd worden.
- De elektrische aansluiting vindt plaats op de buitenliggende werkschakelaar of aansluitdoos (VDA-Z 200 t/m 560) of onder de motorbeschermkap (VDA-Z 160 en 180).
In bedrijf stellen
- Controleer of de vleugel vrij kan draaien.
- Controleer of de elektrische aansluiting volgens bijgeleverd schema correct is aangesloten.
- De ventilator moet tegen overbelasting beschermd worden.
- Bij aanwezigheid van een motorbeveiliging moet deze op 5% boven de op het typeplaatje van de VDA-Z aangegeven stroom worden ingesteld.
- Start de ventilator.
- Controleer de draairichting van de vleugel (zie de pijl op de ventilator);
- Bij een verkeerde draairichting kan de motor verbranden.
- Meet de opgenomen stroom van elke fase.De gemeten stroom mag (bij een niet-geregelde ventilator) niet hoger zijn dan op het typeplaatje wordt vermeld. De beveiliging moet worden ingesteld op de hoogst gemeten stroom. Bij een geregelde ventilator moet de stroom gemeten worden over het hele regelgebied. Stel de beveiliging in op de hoogst gemeten stroom. N.B.: Niet alle VDA-Z dakventilatoren zijn regelbaar. Zie hiervoor de documentatie.
- De toelaatbare temperatuur van de af te voeren lucht bedraagt bij de types VDAZ 160 en 180 van -30°C tot +40°C en bij de types VDA-Z 200 t/m 560 van -30°C tot +120°C.
- De ventilator is ontworpen voor continubedrijf en mag niet vaker dan eenmaal per 5 minuten worden in- en uitgeschakeld.
- Gebruik de werkschakelaar niet als aan/uit schakelaar. Dit kan de ventilator beschadigen (bij vermogens > 2,0kW).